Rouwproces

De fasen in het rouwproces

(door Manu KEIRSE, Prof. KUL)

Zonder te veel te willen plannen, maar ook zonder de dingen te eenvoudig willen voor te stellen – geen twee mensen zijn immers dezelfde en elk individu gaat anders om met zijn emoties – schetst Manu Keirse vier onontbeerlijke fasen in het rouwproces.

De eerste fase is het verlies onder ogen zien.
De dood dompelt de nabestaanden onder in een soort roes. Veel gehoorde uitspraken zijn: "Het kan niet" en "Het is alsof ik in een nachtmerrie leef", hoewel de reacties sterk uiteenlopen. De ene hult zich in stilzwijgen, de andere barst in tranen uit... Sommigen proberen hun verdriet te verbergen voor de buitenwereld. Het is hoe dan ook onontbeerlijk de realiteit onder ogen te zien, zoniet kan het rouwproces niet beginnen. Daarom raadt men aan zich te confronteren met het stoffelijk overschot van de dierbare, hoewel dat om begrijpelijke redenen erg pijnlijk kan zijn. Ook wanneer de overledene werd verminkt in een ongeval is dit volgens Manu Keirse nodig; volgens hem kan men immers maar beseffen dat de dierbare dood is als men voor zijn stoffelijk overschot staat (oogcontact met de intacte lichaamsdelen kan vaak al volstaan). Begrijpen wat er gebeurd is (waar, wanneer, hoe?) is in dit stadium eveneens essentieel.

De tweede fase is omgaan met de pijn van het verlies.
"Dit is de enige manier om het verlies te verwerken." Het rouwproces kan maar beginnen als men erin slaagt de pijn te dragen. Hevige huilbuien en gevoelens van intense pijn komen frequent voor de eerste weken na de dood van de geliefde. Deze reacties hebben een heel heilzame uitwerking. Naarmate de weken verstrijken, begint de shock te vervagen en de pijn weg te ebben. Ook dan geeft men de rouwenden best de kans hun smart de vrije loop te laten; probeer ze niet terug met beide voeten op de grond te brengen met opbeurende of moraliserende uitspraken als "Denk aan je kinderen", "Je hebt nog vele mooie jaren voor je", "Verman je", "Hij was zwaar ziek, het is misschien beter zo", enz. Pijn kun je niet ontlopen. Wat men ook niet zou mogen doen, is angstvallig vermijden over de dode te praten in een poging om de pijn niet nog erger te maken. De nabestaanden hebben het erg moeilijk met deze houding; erger nog, ze heeft vaak het tegenovergestelde effect.

De derde fase bestaat erin zich aan te passen aan een leefomgeving zonder de overledene.
Behalve droefheid gooit de dood van een geliefde niet alleen het intieme, maar ook het sociale leven van de nabestaanden overhoop. Zo moet een weduwe haar leven proberen terug op te nemen. Haar leefpatroon verandert, net als haar contacten met de buitenwereld. Nu haar man is weggevallen, wordt ze alsmaar minder uitgenodigd door zijn collega's of vrienden en verwatert het contact. De ouders van een overleden enig kind komen vaak tot de pijnlijke vaststelling dat ze volledig worden afgesneden van alle activiteiten die het ritme van hun "vroeger leven" bepaalden, zoals schoolfeestjes, vergaderingen van de scouts, enz.. Door die pijn, dat gemis en de ingrijpende veranderingen in hun leven beginnen de nabestaanden de overledene te idealiseren, waar buitenstaanders het soms moeilijk mee hebben. Wanneer bijvoorbeeld één van de kinderen van een gezin overlijdt, krijgen de andere kinderen de indruk dat hun ouders enkel nog aan hun dode broer of zus denken. Hij/zij was zo vriendelijk, zo handig, zo slim, zo grappig, zo...

Mettertijd vervaagt die idealisering.
Dit is vaak het teken dat de vierde fase is ingetreden: de familie plaatst het overlijden in zijn juiste perspectief en krijgt gaandeweg terug zin in het leven. Het rouwproces loopt ten einde: de overledene is weliswaar nog altijd levendig aanwezig in de geest en het hart van de nabestaanden, maar de pijn vervaagt. De energie keert terug, en er worden (soms nieuwe) plannen gemaakt: het leven herneemt zijn normale gang.

Wanneer dit proces niet verloopt zoals het hoort, beginnen sommige mensen zich abnormaal te gedragen. Soms valt die gedragswijziging duidelijk op: de persoon in kwestie verwaarloost zijn uiterlijk, kan maar moeilijk eenvoudige beslissingen nemen, is overactief, verliest zijn zelfrespect, begint overmatig te drinken of te roken, leidt aan slapeloosheid, loopt met zelfmoordgedachten rond, hallucineert, enz.. Wanneer dit gedrag langer dan zes tot acht weken aanhoudt, moet de omgeving ingrijpen. Professionele hulp kan in zo'n geval aangewezen zijn.

©2019 Inmemoriam - een initiatief van Mediahuis - Website by Brainlane